Typ om te zoeken

In the spotlight Woonzorgcentra

De ongelijke strijd. Of hoe het nu verder moet met onze woonzorg.

Delen

Situering

Sedert 12 maart zijn de medewerkers van woonzorgcentra een ongelijke strijd aangegaan tegen het COVID virus; de cijfers zijn ondertussen gekend maar blijven onthutsend. Quasi 70% van alle overleden coronapatiënten zijn rusthuisbewoners.

Sedert 12 maart zijn de medewerkers van woonzorgcentra ook een ongelijke strijd aangegaan tegen eenzaamheid en sociale isolatie. Bij het begin van de maatregelen zag men –volgens getuigenissen uit de sector- op korte termijn een aantal mensen plots overlijden. Spelen de gevoelens van eenzaamheid hierin een rol? Niemand kan daarop nu een zinvol antwoord geven.

Sedert geruime tijd zijn de medewerkers van woonzorgcentra een ongelijke strijd aan het voeren en dit bovenop de strijd die ze al een tijd aan het voeren waren tegen de verhoogde werkdruk door personeelstekort en door gebrek aan middelen. De medewerkers moeten nu nog meer “rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan” (naar de aanklacht tegen de haast van de Nederlandse cabaretier Herman Van Veen).

Reflectie vanuit de VUB-docenten en gerontologiestudenten

De VUB-opleiding Gerontologie was in volle actie tijdens de tweede semester toen we werden gestopt door COVID-19.

“En dan blijven sommige dagen voor altijd in het geheugen gegrift, zoals donderdag 12 maart 2020. De dag – zo blijkt nu – van mijn laatste fysieke les van het tweede semester aan de VUB. Normaliter prefereer ik de stilte tijdens de autorit naar Jette, maar toen stond de radio aan. Ruth Joos had het in haar programma ‘De Wereld Vandaag’over het pre-corona-tijdperk, de mogelijke verregaande maatregelen van de federale regering zoals de sluiting van de scholen en het reeds in voege zijnde algemeen bezoekverbod in de woonzorgcentra. Een bezoekverbod met buitengemeen ingrijpende gevolgen voor de bewoners, de medewerkers en de familie.” (Lisa)

We schakelden snel naar digitaal. De GERO-studenten pasten zich wonderwel aan. Zeker als je in aanmerking neemt dat ze bijna allen werkstudent zijn en in het oog van de storm stonden. Onderstaande is dan ook het resultaat van deze uitwisseling van ideeën, van academische theorie en praktijk waar onze studenten mee te maken hebben. We brengen hierop een overzicht van de vele vragen en inzichten die sindsdien aan bod kwamen en dit met een specifieke aandacht voor de situatie in de woonzorgcentra.

Dit is een momentum om heel veel vragen te stellen. We bundelden ze in 9 items over hoe we nu verder willen gaan met onze woonzorgcentra en onze ouderenzorg. We moeten vooruit, ook al hebben we nog niet altijd pasklare antwoorden. Maar misschien is het meer dan ooit tijd om out-of- the-box te denken.

Waren al deze maatregelen noodzakelijk?

Er werden begin maart maatregelen genomen om de bewoners in woonzorgcentra beter te beschermen tegen een mogelijke besmetting met het Coronavirus. Dagelijks werden deze maatregelen verscherpt van minimaal bezoek onder strikte richtlijnen tot een bezoekverbod. Het hoeft geen betoog dat de woonzorgcentra hiermee voor grote uitdagingen kwamen te staan.

De voorbije maatregelen waren ingrijpend, maar noodzakelijk om de bewoners en het zorgpersoneel maximaal te beschermen heet het. Is dit zo? Hadden al deze maatregelen niet vooral tot doel, de epidemie te vertragen en het gezondheidssysteem niet te overbelasten. Of zijn we hier te cynisch? Wanneer COVID-19 uiteindelijk als zeer besmettelijk werd bestempeld, werd onmiddellijk duidelijk dat bewoners van een woonzorgcentrum niet gewenst waren in de ziekenhuizen. Opeens waren ze beter af in de geborgenheid van de vertrouwde omgeving. Sterven kon je beter daar.

“Raar, maar tegelijkertijd was er het bezoekverbod én de verplichting om ‘oudere patiënten’ uit ziekenhuizen op te nemen als deze personen niet meer naar huis konden (er kwamen vrij directieve mails binnen op dat vlak). Puur theoretisch kan je stellen dat ouderen worden opgenomen in een thuisvervangend milieu zonder de aanwezigheid, steun enz. van hun vertrouwde omgeving. Je aanpassen in een nieuwe volstrekt vreemde omgeving in een periode waarin benadrukt wordt dat je behoort tot DE risicogroep bij uitstek en dit alles zonder die mensen die je graag hebt. Ging het hier om iets anders dan het voorbehouden van de ziekenhuisinfrastructuur voor jongeren. Dit door de angst dat het gezondheidssysteem zou ‘crashen’ met Italië als voorbeeld.” (Jan)

Het zal in elk geval belangrijk zijn om in de toekomst ook aandacht te hebben voor de neveneffecten van deze maatregelen. En dit geldt uiteraard voor de ruime ouderensector.

“Zelf werk ik op een G-dienst, en ook hier zien we de negatieve impact van deze beslissing. Heel wat patiënten bij ons zijn angstig tegen over het virus. Dit zorgde voor heel wat ontslagen tegen medisch advies in, dit kan toch ernstige gevolgen hebben voor de ouderen. Ik stel vast dat de motivatie om te revalideren van onze patiënten lager ligt sinds er geen bezoek meer is.”(Klara)

Er is het verdriet om zij die we verloren hebben. Er is de bezorgdheid om de opvolging van de gezondheid van de bewoners. Want soms zijn er problemen die niet met corona te maken hebben. Er is de bezorgdheid om hoe de draad weer op te pikken. Het zal van belang zijn om de dagstructuur terug zo snel mogelijk te herstellen. Dit kan door terug betekenisvolle activiteiten aan te bieden. Sommige bewoners zijn in hun cocon gekropen, ondanks alle inspanningen.

“Ondanks dat er een grote inspanning wordt geleverd om bijv. via skype en videoboodschappen toch contact met de familie te bewaren, zijn onze residenten steeds meer op zichzelf. Waar vroeger een groot aantal mensen naar de georganiseerde activiteiten kwam, blijven ze nu steeds vaker op de kamer. Eén op één tijd met de bewoners is zeer goed, maar zeer beperkt. Voldoende personeel of vrijwilligers hiervoor vinden in deze crisistijd, lijkt onbegonnen werk.” (Sam)

In deze bijdrage focussen we op de woonzorgcentra . Maar uiteraard zijn er ook veel bezorgdheden over de thuiswonende ouderen.

Hoe kunnen we de zorgverleners ondersteunen?

We mogen met zijn allen terecht trots zijn op alle zorgverstrekkers die in de ouderenzorg momenteel in de vuurlinie staan; het zijn helden, zonder meer. Het applaus dat overal te lande voor hen weerklinkt, is meer dan terecht. We doen eraan mee. Tegelijkertijd rept iedereen zich nu om luidkeels te roepen dat de woonzorgcentra al jaren verwaarloosd worden. Ja juist. We doen eraan mee. Maar hoe pakken we dit aan?

Dat er op een constructieve manier moet worden nagedacht over de verloning en waardering van al het personeel betrokken in de zorg in het post COVID-tijdperk spreekt voor zich. Maar dit zal niet voldoende zijn. We moeten durven nadenken over de opleidingen, over kwalificaties (ja, in de ouderenzorg hebben we hoog opgeleid personeel nodig!) en over innovatieve ouderenzorg en arbeidsorganisatie.

Maar laten we daarbij ook vooral de psychosociale zorg niet vergeten. Eens de rush voorbij is, zal er gevoelsmatig heel wat op ‘onze helden’ afkomen.

“Graag wil ik dit onderwerp ook eens verruimen naar de ouderen die niet in een WZC wonen. Alleenstaande ouderen staan er vandaag nu nog meer alleen voor. Geen bezoek van kinderen of kleinkinderen meer, geen koffienamiddag met vrienden … Vaak zien ze lange tijd niemand. Ik vind het hard om te beseffen dat zoveel mensen deze zware periode alleen zullen moeten doorstaan.”(Fien)

“In het ziekenhuis waar ik tewerkgesteld ben werk ik nu op de afdeling waar enkel coronapositieve patiënten liggen ouder dan 75 jaar. Ik zie wat het virus teweegbrengt en kan daar enkel maar uit besluiten dat hoe drastisch de maatregelen ook zijn, ze er broodnodig moesten komen. Vorige week maandag ben ik mijn shift gestart om 14u, ik herkende meteen een patiënt die een jaar eerder nog gerevalideerd had bij mij en ging met hem een praatje slaan. Hij was optimistisch, voelde zich goed, had niet veel klachten. Ik bleef bij hem om brieven voor te lezen die zijn vrouw voor hem had geschreven. Echter op enkele uren tijd begon hij koorts te maken, moeizamer te ademen, zijn saturatie zakte en de nood aan zuurstof werd groter. De volgende dag toen ik aankwam was hij overleden. Dit greep mij erg naar de keel.”(Iris)

“Wat ik vooral het moeilijkste vind? zijn de momenten dat je op een bijna zakelijke manier afstand moet inbouwen. Vandaag kwam een familie bloemen afgeven. Deze mogen bij ons niet binnen; bewoonster in tranen achter het raam, dochter in tranen buiten … Ik denk dat elk van ons dergelijke situaties meemaakt en dan hebben we het nog niet over toegenomen onrust, ziekte, overlijden. Er zijn ook mooie momenten, de extra handen die we krijgen en even dat extraatje kunnen overnemen, de steun van familie, de dankbare lach van de bewoner en de verbondenheid tussen collega’s met het idee ‘we gaan hier samen door’.”(Bianca)

“Wat ik het meest hartverscheurend vind, is dat er patiënten bij ons overlijden en dat zij op hun laatste dagen alleen waren. Ik kan me dan niet voorstellen welk effect dat heeft op het rouwproces van de familie.” (Klara)

Deze gevoelstsunami zal niet alleen te maken hebben met het leed van de patiënten/bewoners maar ook met het verwerken van de eigen angsten en onzekerheden. Angst om besmet te worden, onzekerheid omtrent het uitblijven van beschermingsmateriaal. Geen enkel applaus was hier tegen opgewassen. Bij het begin van de coronacrisis verwoordde één van onze studenten het als volgt:

“Op 13/03 verscheen er een artikel dat er nog geen hoog ziekteverzuim is in de zorgsector. We zijn nu een goeie week later en het ziekteverzuim zijn wij hier nu toch al zwaar aan het voelen. De paniek bij de medewerkers is groot. Door het hoge ziekteverzuim vallen de medewerkers die niet ziek zijn onder een verhoogde werkdruk en presteren zij veel overuren waardoor het risico verhoogd dat zij ook gaan uitvallen. Hoe gaan we de continuïteit van de zorg garanderen is een vraag die mij voortdurende bezighoudt en mij danig wat stress geeft. Ook Is er paniek bij de medewerkers over het tekort aan beschermend materiaal zoals mondmaskers, handschoenen, beschermschorten en alcoholgel. Er wordt niets meer geleverd, want alle voorraden zijn uitgeput. Ik heb zelf alle alcoholgels en mondmaskers achter slot moeten steken omdat op 3 dagen tijd 80 % van onze stock ‘verdwenen was’.” (Ellen)

Deze onzekerheid werd ook gevoed doordat veel van het handelen terug in vraag diende gesteld te Welke houding neem je aan ten opzichte van doolgedrag en onrust? Hoe herdefinieer je het fixatiebeleid? Hoe neem je waardig afscheid in Coronatijden?

“De maatregelen zorgen ervoor dat we voor een aantal serieuze ethische dilemma’s komen te staan. Een bewoner gaat achteruit, de palliatieve zorg wordt opgestart. Dan stelt zich de vraag of we familie nog toegang moeten geven om nabijheid te bieden aan de bewoner in de laatste levensfase. Een overlijden. We vernemen dat er bij de begrafenisondernemer geen ruimte meer is om afscheid te nemen. Kan het WZC dan toch in zetten op een waardig afscheid? Als WZC kom je voor een evenwichtsoefening te staan, kiezen tussen de veiligheid van het huis of de menswaardigheid van het afscheid. Het vraagt de nodige creativiteit.” (Bianca)

“Heel moeilijk wordt het natuurlijk wanneer er een vermoeden of bevestiging is van coronabesmetting bij een bewoner, zeker met dementie. De aanbevelingen op de website van Zorgnet-Icuro luiden onder meer als volgt: “Het basisprincipe is dat elke bewoner met coronabesmetting dient te worden geïsoleerd op de kamer. Bij personen met dementie, in het bijzonder bij personen met dwaalgedrag, is dit niet of bijna niet uit te leggen. In gezamenlijk overleg gaan we na welk de minst slechte oplossing is.” (Liza)

Ook het ontbreken van duidelijke regels en een overflow van niet altijd duidelijke richtlijnen, zeker in de beginperiode gaf aanleiding tot onbegrip en onbehagen. De regels waren voor het personeel niet altijd duidelijk en dat leverde frustraties op.

“Als leidinggevenden binnen het WZC moeten we proberen rust te brengen. We letten er op om duidelijk te communiceren maar ook de verwachtingen van medewerkers te gaan bijstellen. We hebben geen glazen bol en weten niet wat volgende week zal brengen.” (David)

“Als opmerking wil ik hierbij opwerpen dat er vanuit de directie een aantal merkwaardige beslissingen werden genomen. De kapster mag nog komen, mits er maar één resident in het kapsalon zit. Pedicures zijn nog steeds welkom, artsen niet meer. Families die het hardst roepen dat ze niet met de maatregelen akkoord zijn, mogen van de directie ingeschreven worden als vrijwilliger zodat ze als personeelslid worden beschouwd. Ondanks dat ik snap dat het moeilijke tijden voor iedereen zijn, gaat de veiligheid van onze residenten voorop. Des te meer vind ik deze beslissingen gevaarlijk.” (Vincent)

Om al het werk van deze mensen te verlichten, worden er vaak kleine attenties door de directie aangeboden. Paaseieren, fruit, frisdrank … Dit werd met veel warmte ontvangen. Ook de families droegen de zorgmedewerkers vaak een warm hart toe. Dozen pralines, mandarijnen en snoepgoed worden afgeleverd om iedereen een hart onder de riem te steken. Al deze initiatieven stimuleerden om vol te houden, dat lazen we bij onze studenten.

Hoe doen we recht aan het concept van warme zorg in de WZC?

Al jarenlang voeren we een vurig pleidooi om in die woonzorgcentra het ‘wonen’ te laten primeren op een klinische aanpak. Het woonzorgdecreet geeft hiertoe een flinke aanzet en de nieuwe visie op de ‘animatie’ belooft het beste! Warme zorg! Wel, gaan we dit nu opgeven? Gaan we nu de bewoners laten ‘wonen’ in een mini-ziekenhuis? Neen toch? Maar terug naar de situatie pre-COVID? Neen toch?

De oplossing ligt ons inziens in meer multidisciplinariteit. Minder verpleegkunde dus?

Minder verpleegkunde in de WZC?

Ja, zelfs in coronatijden durven we pleiten voor een meer multidisciplinaire benadering. Een trans disciplinaire benadering zelfs, waarbij iedereen ook een deeltje van de andere zijn taak kan overnemen. In een persoonsgerichte eerste Lijn die geconfronteerd wordt met steeds complexere zorgvragen, kan het niet meer zijn dat iedere discipline los van de andere werkt.

Je kunt een persoon met een zorg- en ondersteuningsnood niet ‘opknippen’ in deeltjes die iedereen apart gaat behandelen, om ze dan daarna weer samen te voegen. In een moderne Eerste Lijn hebben we professionals nodig die bereid zijn om over de grenzen heen te kijken en die zich andere referentiekaders kunnen eigen maken. Zo’n professional bestaat, het is de T-shaped professional. Die kent niet ‘alleen maar’ zijn eigen vakgebied in de diepte maar is ook breder opgeleid en kent ook die van de aanverwante disciplines.

Een gesprek, aandacht voor wie de persoon is (en was voor die rusthuisbewoner werd), aandacht voor betekenisvolle activiteiten; dat blijft de kern van warme zorg. Zij die dagelijks werken met ouderen moeten daarvoor goed opgeleid zijn. Is dit zo? Een open vraag. We hebben de indruk dat heel de sociaal-psychologische benadering best nog nadrukkelijker aanwezig mag zijn in de ‘zorg’opleidingen. De psychologische zorg wordt altijd zowat bekeken vanuit een ‘als-al-de-rest- gedaan-is standpunt’. Nochtans waren ook de voorbije periode de uitdagingen op dat vlak enorm.

“Zo moesten tijdens de voorbije periode nog meer dan anders de contacten met de familie ‘verzorgd’ worden. Voor familie en naasten kwam het bezoekverbod immers hard aan. Sommige families ervoeren dit als zeer moeilijk. De voorbije periode dienden de medewerkers daarom herhaaldelijk in gesprek te gaan met de familie om de noodzaak van deze maatregelen uit te leggen.” (Ziggy).

Het onomwonden pleiten voor meer aandacht voor het psychosociale in de zorg is geen overbodige luxe, maar essentieel. Dit moet zich vertalen in het opleidingsaanbod van diverse zorgberoepen. Naast warme zorg moet die zorg ook activerend zijn. Hierbij pleiten we voor een grotere rol voor die professionals die daarvoor bijzonder opgeleid zijn; bijv. ergotherapeuten en kinesitherapeuten. De opleidingen van deze professionals hebben hier nog een weg te gaan om T-professionals te worden, maat aandacht voor warme zorg.

En tegelijkertijd durven we ons de vraag stellen of de dagdagelijkse opdrachten die elke medewerker doet in de thuissetting (bijv. eten geven) in een geregulariseerde setting moeten afgeschermd worden door beroepstitels? Levenslang leren; het kan meer handen voor de zorg opleveren.

Welke verpleegkunde in de WZC van de toekomst?

Wellicht denkt menig lezer bij het lezen van vorige vraag ja allemaal goed en wel, maar die rusthuisbewoners moeten toch ook lichamelijk goed verzorgd worden? En dit door bekwame verpleegkundigen en zorgkundigen. Uiteraard! In een multidisciplinaire benadering van de zorg zijn deze verpleegkundigen noodzakelijk. Zij moeten met kennis van zaken handelen in de verzorging van de ouderdomskwalen. Maar moeten zij in de toekomst nu halve virologen worden? Moeten we hen op bijscholing sturen om ziekenhuishygiënisten te worden? Wij denken het niet: laat hen vooral goede zorg geven ingebed in een multidisciplinair team, dat op basis van gelijkwaardigheid samenwerkt.

En ook de taakinhoud van verpleegkundigen moet op de schop. Het opdrachtenpakket van de verpleegkundigen is al te vaak uit balans. Zij zijn een groot deel van hun tijd bezig met administratie van handelingen i.p.v. van met die handelingen zelf. Het brengt een ruimere problematiek aan het licht : die van de wijze waarop inspectie kijkt naar onze zorginstellingen. Vaak horen we van onze studenten ’als het maar geregistreerd is’…. Papieren handboeken en actieplannen zijn dode letter en betekenen niks als er niet de tijd is om ze in de praktijk ook goed uit te rollen. Maar uiteraard heeft de verontwaardigde lezer gelijk om te denken: ‘en als er dan nog eens zoiets (COVID) ernstigs gebeurt? Wat dan? In dat geval dient men volgens ons in te zetten op een goede bovenbouw. (zie verder)

Tot slot zetten we toch ook nog graag een aantal vraagtekens bij het financieringsmechanisme m.b.t. verpleegkundigen. Verpleegkundigen in een woonzorgcentrum zijn vanuit financieel oogpunt enorm belangrijk. Ze wegen in de berekening van de basistoelage (het vroegere forfait) van een woonzorgcentrum. Te weinig verpleegkundigen betekent een enorme penalisering van de middelen. Daarom zie je de grote spelers in het woonzorglandschap ‘buitenlandse verpleegkundigen’ binnenhalen of zich bezig houden met allerlei kunst en vliegwerk met betrekking tot de uurroostering. Bepaalde verpleegkundigen werken bijvoorbeeld voor verschillende WZC’s enz., consultants allerhande worden ingeschakeld om de toelage te optimaliseren. Kan dan gesproken worden van WARME zorg?.

Misschien te cynisch. Maar het is even cynisch dat het beleid verklaart dat men er toch ook niet aan kan doen dat er te weinig verpleegkundigen op de arbeidsmarkt beschikbaar zijn. Dit terwijl men heel goed weet wat een impact dit heeft op de financiën van een woonzorgcentrum. Zolang dit gegeven overeind blijft, zolang zullen goocheltrucjes dagelijkse kost zijn. Wordt het bijgevolg geen tijd voor alternatieven. Minder verpleegkundigen en toch een warmere zorg ? Geen bestraffing bij het niet halen van het aantal VTE verpleegkundigen? Uiteraard niet zonder een andere invulling. Is het niet hoogtijd deze oefening te maken?

Wat is een goede omkadering voor warme en activerende zorg?

Wat is het uitgangspunt? Kleinschalige warme zorg ingebed in een groter organisatorische geheel. We moeten rond het woonzorgcentrum een netwerk uitbouwen waarbij de gespecialiseerde zorg altijd binnen handbereik is van het personeel uit de woonzorgcentra. We geven hierbij een aantal insteken van die verschillende netwerken en stellen ons daarbij enkele vragen.

 basiscirkel aangevuld met specialisaties

Zoals aangegeven gaan we uit van samenwerkingsverbanden tussen WZC waar multidisciplinaire teams werken die sterk gefocust zijn op het welzijn van de bewoners. Op het niveau van het netwerk kunnen specialisaties worden ingebouwd : bvb referentieverpleegkundige dementie, intimiteitscoach. Zij specialiseren zich in een bepaald thema maar blijven ook voldoende voeling houden met de werkvloer.

 de mantelzorgers en vrijwilligers

Moeten we ons systeem van erkende mantelzorgers en vrijwilligers (die soms echt meer zouden kunnen dan de cafetaria openhouden) niet performanter maken? Deze erkende mantelzorgers en vrijwilligers zijn bijzonder gewaardeerde schakels : moet dit toch ook niet een stuk gehonoreerd worden? Zij zijn onmisbaar in de basiscirkel.

Nu werd in deze crisis een ad-hocbeleid gevoerd ten opzichte van deze mensen. Bij het bezoekverbod werden een aantal uitzonderingen gemaakt o.a. voor de erkende mantelzorger. Het gaat hier om naasten die essentiële zorgtaken uitvoeren bij de bewoners. Het vergde moeilijke beslissingen van de woonzorgcentra want heel veel familieleden vonden dat ze een belangrijke ondersteuning vormden. Het was aan het team om hierin deze moeilijke beslissing te nemen. Draaiboeken konden soelaas geboden hebben.

 de hoofdverpleegkundige

Bij het nadenken over diegene die de schakel zou moeten vormen tussen de microzorg en de bovenbouw denken we spontaan aan de ‘hoofdverpleegkundige-directrice’. Echter, diegene die instaat voor de organisatie van de activerende en warme zorg moet ons inziens niet noodzakelijk een verpleegkundige zijn. Het decreet geeft daartoe al wat aanzetten. Een zorgdiploma is immers geen garantie voor effectief leadership.

 de medische omkadering (huisartsen, CRA’s): tijd voor een tehuisarts?
De toekomst moet klaarheid brengen over de wijze waarop het huidig systeem gefunctioneerd heeft.

Een grondige analyse van de CRA’s (Coördinerend en Raadgevend Arts) in deze coronatijden is wenselijk. Zijn zij toegekomen aan hun wettelijke verplichtingen? Moeten zij beter ondersteund worden? Wat waren de factoren die hun werk in deze bijzondere omstandigheden hadden kunnen bevorderen? Hoe zijn de ruim 60% WZC in Vlaanderen er in geslaagd om corona buiten te houden? Wat heeft gewerkt? Wat niet?

Een van de pistes is de vraag of een tehuisarts zoals in Nederland slagvaardiger zou zijn dan elkeen zijn eigen huisarts in de WZC? Uiteraard niet evident omdat nogal wat mensen een zeer specifieke en waardevolle band hebben met hun huisarts, maar ook nu zijn er op het terrein al ‘spontane herverdelingen’ van hun rusthuispatiënten tussen huisartsen onderling. Misschien moeten we aan een warme overgangsperiode werken : een periode waarbij de huisarts nog langs komt bij de woonzorgcentra bewoner maar altijd in het bijzijn van de tehuisarts

 ziekenhuizen en geriaters

Op diverse fronten is er (misschien soms wat te laat) een uitwisseling van knowhow geweest tussen (universitaire) ziekenhuizen en WZC. Toen enkele weken de noodkreet van de woonzorgcentra het maatschappelijk debat eindelijk bereikte zijn er heel wat ziekenhuishygiënisten en geriaters in actie geschoten en hebben de woonzorgcentra met raad en daad bijgestaan. En dat loonde! Waarom zouden we deze samenwerkingen niet systematisch uitbouwen?

Kortom, laat de mensen die dagelijks met onze ouderen werken en leven in de woonzorgcentra vooral veel warme en persoonsgerichte zorg geven en activerend werken. En biedt daarvoor goeie opleidingen zodat we experten krijgen. Maar voorzie een systeem waarbij ze voor gespecialiseerde vragen kunnen terugvallen op een gespecialiseerde bovenbouw.

Zoals we in bovenstaande figuur proberen aan te geven vormt de activerende warme zorg de kern. Het mogelijk maken van deze warme zorg moet organisatorisch in goede banen geleid worden door effectief leadership. Tot slot pleiten we voor een structurele samenwerking tussen woonzorgcentra en ziekenhuizen: niet om van die woonzorgcentra mini-ziekenhuisjes te maken; maar om niet alleen in uitzonderlijke tijden gespecialiseerde klankbord ivm specifieke klinische en hygiënische maatregelen te hebben. De ziekenhuizen, hebben in deze corona-pandemie aangetoond dat ze geoliede machines zijn. Laat ze dit in de toekomst niet enkel doen op basis van hun vrijwillig verantwoordelijkheidsgevoel maar honoreer hun tijd en inzet. Dit geeft inhoud aan de externe liaisonfunctie.

Is warme en activerende zorg op microniveau haalbaar?

De woonkwaliteit en ‘de warme zorg op maat’ en ‘activerende zorg’ zorgen voor een cruciale bijdrage in de levenskwaliteit van oudere personen. Daarvoor dient die zorg op microniveau te worden aangeboden. De initiatieven ‘genormaliseerd’ kleinschalig wonen tonen de weg. De regelgeving volgt niet of te traag.

Het is onze overtuiging dat kleinschalige zorg de enige weg is om warme en activerende zorg te geven. Maar we zijn niet naïef. We begrijpen dat daarvoor een omwenteling nodig is en vooral dat de bovenbouw anders moet gestructureerd worden.

Iedereen terug welkom in de WZC?

De laatste jaren is de lat om in een woonzorgcentrum te kunnen gaan wonen alsmaar toegenomen. Mensen moeten al heel veel zorg nodig hebben alvorens ze worden toegelaten. Dit is een keuze waarvoor je heel wat economische redenen kan aanhalen. De vraag stelt zich of dit voor de algemene sfeer en werksfeer wel de juiste keuze is. Het aan deze beleidskeuze gekoppeld financieringsmechanisme laat de woonzorgcentra vrijwel geen keuze : als woonzorgcentrum neem je beter geen bewoners op omwille van psychosociale klachten en/of vereenzaming want daarvoor word je nauwelijks gefinancierd; ondanks de tijd die een goede opvang vergt. Dient dit niet terug geëvalueerd te worden?

Er zijn woonzorgcentra die experimenteren met ‘zorgflats’; woongelegenheden waar bewoners vrij autonoom en zelfstandig kunnen leven maar toch die ondersteuning, aandacht en gevoelen van veiligheid krijgen die ze wensen

Wat nemen we mee uit de COVID-ervaring?

Elke ervaring leidt tot nieuwe inzichten? Zo lezen we in een verslag van een van de studenten.

“De beschermingsmaatregelen creëren een zekere afstand, verhogen de werkdruk en leggen de nadruk op zorg. Het takenpakket van elk personeelslid wordt gaandeweg uitgebreid. We zijn niet meer alleen verpleegkundige, zorgkundige of therapeut. Samen neemt men taken op van kapper, pedicure tot social media expert. Dit vraagt een enorme flexibiliteit van het personeel maar komt het ‘samen gaan tegen’ ten goede. Er ontstaat een zekere verbondenheid waarbij disciplines worden losgelaten, een stap in de richting van innovatieve arbeidsorganisatie.

We gaan naar een anders werken en nu rollen we daar wat automatisch in, kleinere leefgroepwerking, meer individuele aandacht door gesprekken, meer persoonsgerichte zorg, meer communicatie naar de familie, men ziet meer betrokken medewerkers omdat ze nu meer levensverhalen horen en er ook tijd voor maken. Voor bewoners die goed omringd waren door familie en veel bezoek kregen is dit hele corona verhaal idd een harde noot om te kraken maar door de terrasbezoeken, raambezoeken, skype, tel mogelijkheden hebben ze ook een nieuwe structuur gevonden om dit nog even vol te houden. Sommige bewoners zijn nu ook blij dat ze even niet ‘gepamperd’ worden door hun kinderen! Bewoners die geen tot heel weinig bezoek kregen van familie of vrienden voelen dit corona gebeuren aan als ook iets positief, door de aangepaste activiteiten, meer extra’s die voorzien zijn. Ook bij medewerkers zien we dat sommigen echt boven zichzelf uitstijgen, er komen competenties naar boven waarvan men geen weet had, zowel op taakgericht als op organisatorisch of psychosociaal vlak.” (Bianca)

We kunnen alleen maar met zijn allen heel hard hopen dat deze positieve praktijkervaring niet verloren gaat de volgende maanden. Dat ze duurzaam is.

“Bij aanvang van deze gezondheidscrisis was er een enorme solidariteit tussen alle medewerkers. Er heerste een gevoel van absoluut nodig te zijn. Eindelijk die erkenning. Als woonzorgcentra vroeger in het nieuws kwamen was het steeds negatief. Nu applaus, erkenning … We dienen een hoger doel. We rijden over lege autowegen naar daar waar men ons nodig heeft. Een ongelooflijk gevoel bij velen dat een boost gaf om te gaan werken. Zelfs zonder de nodige beschermingsmiddelen, zelfs zonder de nodige knowhow. Een adrenalinerush. Samen tonen we iedereen wat we kunnen. Iedereen zal zien waartoe we in staat zijn: we overwinnen dit. Maar wat als alles ‘stabiliseert’ en alles terug in zijn normale plooi valt? Als beheerders terug andere belangen vooropstellen? Wat als de adrenaline compleet wegvalt?” (Jan)

Alle hoop op de gerontoloog?

De erkenning van de beroepstitel gerontoloog zou al een mooie start kunnen zijn. Masters in de gerontologie zijn immers professionals die mee aan het roer kunnen staan. Ze hebben een goed overzicht van wat ouder worden precies inhoudt. Ze kennen de opportuniteiten en noden van de vergrijzing en hebben ook zicht op de noden van het verzorgend personeel. Ze kunnen mee instaan voor een gecoördineerd beleid waarbij die noodzakelijke schakel aan voorzieningen wordt uitgebouwd. Een apotheekstudente gerontologie verwoordde het als volgt:

“Ouderen zijn een complexe, heterogene groep die in mijn ogen te vaak in een passieve rol geduwd worden door de rest van de maatschappij. De rol van een gerontoloog, in welke sector dan ook, lijkt mij dan ook heel duidelijk. Gerontologen moeten ouderen uit deze passieve rol trekken, waarbij het stimuleren van ‘Active Ageing’ een absolute must is. Gerontologen moeten werken aan het positieve beeld van ouderen, zodat ouderen als volwaardige deelnemers van de maatschappij worden gezien. En als allerbelangrijkste moeten gerontologen een stem geven aan ouderen, zodat hun (complexer wordende) noden en behoeften niet vergeten worden. Als gerontoloog heb je de kennis en expertise om deze rol op te nemen.” (Fien)

Tot slot

Dagelijks zijn er applaus, muziek, traktaties voor de zorg. Deze momenten doen deugd, maar vormen tegelijk een doorn in het oog.

Op 6 maart was er nog de witte woede, waarbij 8500 medewerkers op straat kwamen tegen de besparingen. Nu zijn zij de helden van het land. Het coronavirus zorgt dat er veel aandacht naar de zorg gaat, velen van ons hopen dat deze aandacht zal blijven na het einde van de pandemie. Hopend dat er kan geleerd worden uit deze situatie en er passende blijvende maatregelen getroffen worden om personeelstekort en werkdruk te beperken. Terecht merken heel wat van onze studenten op dat al de hier gesuggereerde voorstellen maar echt betekenis hebben als ook de bewoners zelf inspraak hebben.

“Waarom ouderen niet meer actief betrekken bij het beleid van hun huis? Geef hen verantwoordelijkheden. Laat hen participeren aan directietafel of raad van beheer. Laat hen mee beslissen over bepaalde budgetten. Geef hen bij sollicitatiegesprekken een adviserende rol. Ik ben ervan overtuigd, mocht men dit al langer doen, dat onze rusthuizen er anders zouden uitzien!” (David)

Er dient nog heel wat te gebeuren om een relevant en duurzaam ouderenbeleid uit te rollen. Het blijft veelal bij steekvlampolitiek en acties wanneer het al veel te laat is. Als universiteit blijven wij daarom op de barricade staan om actie te voeren voor een volwaardig ouderenbeleid. Een beleid waar activering en zorg hand in hand gaan. Een beleid waar warme zorg hand in hand gaat met organisatorische efficiëntie.

Wij hopen het alvast uit de grond van ons VUB-hart voor alle ouderen in Vlaanderen.

Christel Geerts, professor gerontologie VUB

Patricia De Vriendt, professor gerontologie VUB

Jan Van Velthoven, oud-student Gerontologie

Studenten gerontologie Bianca Verkeste, Lisa Note, Kelly de la Ruelle, David Buysschaert, Klara Vanoverschelde, Fien Ann Loosveldt, Sam Vanhuynegem en Iris Vanheel en tal van anderen.

Geef een reactie