Typ om te zoeken

ICT

Het EPD en de Belgian Meaningful Use Criteria

Delen

Marc Monballieu (AZ Maria Middelares) over de BMUC

 
Met het vrijgeven van de definitieve Belgian Meaningful Use Criteria door de minister van volksgezondheid kan het EPD-acceleratieprogramma van de overheid nu echt van start gaan. Marc Monballieu, Directeur ICT van het AZ Maria Middelares te Gent, was nauw betrokken bij het opstellen van de BMUC. We vroegen hem naar zijn bevindingen.
  

Waarom BMUC en hoe is dat ontstaan?

Marc Monballieu: “Door dit initiatief van de overheid ligt er een duidelijke lijst met criteria op tafel waar wij vanuit de sector ruim onze zeg in gehad hebben, samen met een strak maar realistisch stappenplan (stap 1 moet begin 2019 rond zijn) om de gestelde doelen te halen. Als incentive wordt een stuk financiering ter beschikking gesteld voor wie de doelstellingen op tijd behaalt.”
 
“Er is al een tijd een ICT-werkgroep actief onder de koepel Zorgnet-Icuro waar actuele ICT-thema’s besproken worden. Toen wij hoorden dat de overheid het IT-acceleratorprogramma wou opzetten, is er vanuit deze werkgroep een voorstel gekomen om de sector mee te betrekken in de besluitvorming. Met een kleine delegatie zijn we dan beginnen nadenken over de methodiek en hebben we onze zienswijze in teksten gegoten (zie kader voor de medewerkers aan het initiatief). De overheid heeft een groot stuk daarvan overgenomen in de definitieve versie en daarnaast nog haar eigen accenten gelegd.”
 

Twee modellen

Marc Monballieu: “Voor het beschrijven van een EPD bestaan er grosso modo twee modellen, beide uit de VS. Aan de ene kant heb je het EMRAM-model dat in onze ogen te strak was om tot een breed gedragen EPD te komen. De grootste struikelsteen in het EMRAM-model is dat je niet naar een volgende fase kan overgaan zolang de vorige fase niet voor 100% is ingevuld. Het is dus niet zo flexibel. Belangrijker dan het ter beschikking stellen van features is trouwens te weten of ze werkelijk gebruikt worden.”
 
“Nu is het zo dat de overheid terecht aanstuurt op toepassingen die werkelijk gebruikt worden door alle zorgverstrekkers. Je kan het zo uitdrukken: je kan kijken of een auto een motor, een stuur, wielen en alle opties heeft, terwijl wij ons liever afvragen of er wel met die auto gereden wordt. Daarom zijn wij vertrokken vanuit een alternatief model dat beter aansluit bij de insteek van de overheid, omdat het eerder de graad van implementatie meet en dus de mate waarin het EPD gedragen en gebruikt wordt. Vandaar de naam ‘Meaningful Use Criteria’. Wij hebben er Belgian voor geplaatst omdat de gezondheidssector in de VS in allerlei opzichten toch verschilt van die in België en we dus de nodige aanpassingen hebben doorgevoerd.”
 

De voordelen van het BMUC-model

Marc Monballieu: “Een voordeel van dit model is dat je verplichte en optionele items hebt, waar je in 4 stappen naartoe kunt groeien tot je uiteindelijk 98% bereikt (100% is meestal onrealistisch omdat er altijd uitzonderingen zijn). Neem nu het elektronisch afsprakenbeheer. Wij zeggen: in stap 1 moet je 50% behalen, in stap 2 wat meer, en zo verder tot in stap 4 alle afspraken met patiënten met dit afsprakenbeheer worden gemaakt. Een ander voorbeeld is het elektronisch aanvragen van onderzoeken. Daarin heb je drie grote blokken: radiologie, labo en consulten door een andere dan de behandelende arts. Hoe doen we dat? In stap 1 moet je één van de drie blokken voor 50% geïmplementeerd hebben, in stap 2 moet je een tweede blok voor 50 % realiseren, in stap 3 nog één en in stap 4 moet je ze alle drie voor 98% afgedekt hebben.”
 
“Het voordeel van de optionele items is dat je voor een stuk zelf je prioriteiten kunt stellen. Je kunt niet alles in één keer doen. In welk tempo die optionele items geïmplementeerd moeten worden, moet nog beslist worden. Maar het geeft ziekenhuizen de mogelijkheid om zowel in de breedte te werken als gefaseerd te implementeren.”
 
“Men moet zich trouwens realiseren dat een pakket aankopen één zaak is, maar de implementatie een heel andere. Met andere woorden: wordt het ook daadwerkelijk gebruikt? Hoe zit het bijvoorbeeld met de opleiding van die honderden of soms duizenden artsen en verpleegkundigen?”
 

Monoliet of best of breed?

Marc Monballieu: “We hebben de overheid geadviseerd om niet noodzakelijk een ‘monoliet’ voor te schrijven. Het is niet bewezen dat een monoliet beter is dan een geïntegreerd systeem. Met geïntegreerd bedoelen we: dat de zorgverstrekker op het moment dat hij zijn gegevens nodig heeft deze op een snelle, veilige en correcte manier kan opvragen. Voor de radiologische beelden is bijvoorbeeld meestal een PACS aanwezig, maar de doorstroming naar je EPD moet ogenblikkelijk en gebruiksvriendelijk zijn. Je moet vanuit je EPD eenvoudig kunnen doorklikken naar de PACS om een beeld te bekijken. Dat noemen we ‘geïntegreerd’. Of dat in dezelfde database zit, is niet zo belangrijk, indien de connectiviteit maar goed is.
 
Het andere extreem is ‘best of breed’. Het beste OK-pakket, het beste radiologiepakket, het beste labopakket, … Dan eindig je met 30 of meer toepassingen die je allemaal aan mekaar moet koppelen, wat zeer complex en duur wordt. Dit is het andere uiterste.”
 
“Ik geloof in geen van beide. Ik denk dat je een backbone moet hebben, een globaal medisch dossier waar al veel in zit. Maar bijvoorbeeld een labosysteem zal in veel ziekenhuizen toch een apart pakket zijn. Je moet er wel voor zorgen dat de resultaten vlot opvraagbaar zijn via het EPD. Ieder zijn eigen pakket gaat niet. Er moet een serieuze gemeenschappelijke kern zijn. Wat buiten die kern zit, moet je vlot en veilig (inzake toegangscontrole en de zekerheid van correcte gegevens) kunnen opvragen, bij voorkeur via single sign on (bijvoorbeeld via je badge).”
 

Hoe ziet het ziekenhuizenlandschap er IT-gewijs uit?

Marc Monballieu: “Er bestaat een grote groep rond het KWS (Klinisch Werk Station) van UZ Leuven, dat door hen zelf ontwikkeld wordt. Een aantal jaar geleden zijn sommige van de netwerkziekenhuizen ook beginnen werken met het Leuvense KWS. De laatste tijd zijn nog ziekenhuizen toegetreden waardoor ongeveer de helft van de Vlaamse ziekenhuizen werkt of van plan is met KWS te werken. Voor deze ziekenhuizen is het makkelijk en moeilijk tegelijk, zij volgen met name het tempo van Leuven. Maar het is niet omdat een functionaliteit in Leuven al werkt dat ze ipso facto ook in de perifere ziekenhuizen al operationeel is. Ze hebben nog implementatiewerk voor de boeg.”
 
“Bij de andere ziekenhuizen zijn er die met pakketten werken die end-of-life zijn. In die groep hebben sommigen nog zeer veel werk: als je pakket van 15 jaar geleden aan het einde van zijn cyclus is, en er is geen opvolgpakket van de leverancier, moet je nu met een lastenboek bezig zijn voor een nieuw pakket. Sommigen zullen zeer hard moeten werken om die timing te halen. De incentive van de overheid zal een aantal ziekenhuizen toch getriggerd hebben om hun timetable wat te versnellen.”
 

De markt van EPD-pakketten

Marc Monballieu: “De markt in Vlaanderen is redelijk eenvoudig. Leuven is met zijn KWS vrij dominant. De twee belangrijkste Belgische spelers zijn Infohos en Xperthis. Verder is er het pakket van UZ VUB, ook zelf ontwikkeld, dat ook gecommercialiseerd wordt.”
 
“Wat de buitenlandse pakketten betreft, Chipsoft, dat een groot marktaandeel in Nederland heeft, heeft recent een belangrijk dossier in Vlaanderen gewonnen. Epic (VS) is de Rolls Royce onder de EPD-pakketten, maar in België hebben we daar allicht de budgetten niet voor. Er zijn nog een paar aanbieders, maar die hebben nog geen klanten in België…”
 
“Hier in ons ziekenhuis hebben wij een zestal jaar geleden de markt geëvalueerd. Wij vonden toen geen geschikt pakket dat betaalbaar was en zichzelf voldoende bewezen had. We hebben toen met onze ICT-afdeling een toepassing ontwikkeld rond een resultatenviewer die we vroeger hadden aangekocht. Geleidelijk hebben we meer functionaliteit toegevoegd en nu werkt het hele ziekenhuis ermee en is men echt wel tevreden. Wij zijn dus een buitenbeentje, samen met nog een paar ziekenhuizen. Als je ziet hoe weinig de markt ondertussen geëvolueerd is, zijn wij er van overtuigd dat we toen de juiste beslissing genomen hebben.”
 

Is er voldoende aanbod?

“In theorie is er meer dan voldoende aanbod. Aan de andere kant: er is van veel leveranciers nog geen enkele omgeving die 100% draait in een Belgisch ziekenhuis. Dat was 7 jaar geleden ook al het geval. Er zijn voldoende spelers. Maar is de markt groot genoeg? Mijn antwoord is dus: Ja, maar…”
 

Hoe implementeer je nu zoiets?

Marc Monballieu: “Een goede raad als je een pakket koopt: je mag niet al je eigen grillen willen doordrijven. Zoveel ziekenhuizen, zoveel voorkeuren. Op den duur moet zo’n leverancier op maat werken, wat niet haalbaar is. UZ Leuven heeft eerder het omgekeerde gedaan: te nemen of te laten. Je moet binnen de lijntjes kleuren, dat is de enige manier…”
 
“Belangrijk is dat je onder de zorgverstrekkers (artsen, verpleegkundigen,…) multidisciplinair een aantal voortrekkers vindt die bereid zijn mee te denken, richting te geven, keuzes te maken, tijd te investeren, het voorbeeld te geven en zo de collega’s over de brug te krijgen. Daarnaast is er een globaal kader nodig waar belangrijke ICT-beslissingen genomen worden, op een voldoende hoog niveau in de organisatie, zodat je automatisch een breed draagvlak krijgt voor de genomen beslissingen.”
 

Het oordeel: BMUC is een goed plan

Marc Monballieu: “Het is haalbaar voor iedereen. Sommigen zullen wel een versnelling hoger moeten schakelen. Het is een evenwichtig pakket en in de opties zitten er leuke projecten om te doen als je er nog tijd voor hebt. Het initiatief van de overheid, omarmd en verder uitgewerkt door een subgroep van de ICT-werkgroep van Zorgnet-Icuro en uiteindelijk vervolledigd door de overheid, heeft geleid tot een duidelijke opdracht voor ziekenhuizen om hun EPD-traject te versnellen en zo de kwaliteit van de gezondheidszorg nog te verbeteren. Dit is een mooi voorbeeld van samenwerking tussen overheid en sector. Nu moet enkel nog het probleem met de SNOMED-coderingen opgelost worden. De timing van enkele te realiseren modules begint namelijk maar te lopen nadat de overheid een Nederlandstalige en Franstalige SNOMED-lijst heeft opgesteld.”
 
“Samengevat: het is bij mijn weten de eerste keer dat er een plan op tafel ligt, met een timing, een vorm van financiering én een zekere vrijheid naar keuze van menu-items en leveranciers. Het is een plan met een visie. Ik vind het een goed verhaal, maar dit initiatief neemt niet weg dat ICT in de ziekenhuissector zwaar ondergefinancierd blijft”, besluit Marc Monballieu.
 
 
 

Wie heeft binnen de sector meegeschreven aan de BMUC?

De mensen die het initiatief genomen hebben (voorzitter en coördinator van de IT-werkgroep binnen Zorgnet-Icuro).
Voorzitter: Guy Buyens, AZ Jan Portaels, Vilvoorde
Coördinator: Peter Raeymaekers, Zorgnet-Icuro
De personen die gestart zijn met de schrijfgroep en het gros van de teksten geschreven hebben. Zij hebben de eerste versie uitgewerkt, die daarna voorgelegd is aan alle leden van de IT-werkgroep binnen Zorgnet-Icuro en bij sommigen ook intern aan hun gebruikers (artsen, verpleegkundigen,…). Op basis van de reacties hebben die 6 personen hun originele teksten nog bijgeschaafd.
Walter Verbrugghe, UZA
Noëlla Pierlet, ZOL
Bart Van den Bosch, UZ Leuven
Jan De Sitter, GZA
Johan Jehoul, Broeders Van Liefde
Marc Monballieu, AZ Maria Middelares
Daarna hebben enkele anderen ook hun steentje bijgedragen.
Emmanuel Stockman, ZNA
Johan Decruyenaere, UZGent
Christophe Fierens, Klina
Xavier Keters, AZ Damiaan
Olivier Naeyaert, UZ Brussel
De bijna finale versie is daarna nog besproken met de volgende Waalse collega’s.
André Vandenberghe, CHU Charleroi
François Roucoux, GHd Charleroi
Paul-Henri Cerckel, CHC Liège
 

Tags:

Geef een reactie