Typ om te zoeken

Finance In the spotlight Woonzorgcentra

Is persoonsvolgende financiering de toekomst van de ouderenzorg?

Delen

Iedere patiënt een eigen stapeltje geld, waarmee hij voor een stuk zijn eigen zorg kan aansturen: wordt dat de toekomst van de ouderenzorg? Er werden al heel wat kanttekeningen gemaakt bij de plannen van de Vlaamse overheid om persoonsvolgende financiering te introduceren in woonzorgcentra. Maar zorgverleners kunnen wel al een paar lessen trekken uit de gehandicaptenzorg, waar de praktijk al sinds 2017 wordt gehanteerd 

Meer dan zestien procent van de Belgische bevolking is ouder dan 67 jaar. Binnen die al decennialang oprukkende vergrijzing is er bovendien een verzilvering bezig: binnen die groep 67-plussers is vandaag meer dan 34 procent ouder dan tachtig, terwijl die tachtigplussers twintig jaar geleden nog maar iets meer dan een kwart van de groep vertegenwoordigden. De gemiddelde levensverwachting vandaag is 81 jaar. En dat zet grote druk op de ouderenzorg, omdat die gestaag groeiende groep alleroudsten natuurlijk doorgaans meer zorg nodig heeft.  

Om die situatie het hoofd te bieden zet de Vlaamse overheid inmiddels al jarenlang in op zorgverlening op maat, waarbij iedere oudere het soort ondersteuning krijgt die het beste bij hem past. Het zorgde onder meer voor de boom van thuiszorg: zorgorganisaties als het Wit-Gele Kruis leveren de oudere patiënt ambulante zorg in zijn thuissituatie, zodat een verhuis naar de residentiële zorg zo lang mogelijk kan worden uitgesteld.  

Maar er is nog een andere reden waarom die nood aan zorg op maat groter en groter wordt: de Baby Boomers komen in toenemende mate in de ouderenzorg terecht, en die heeft heel andere wensen in de manier waarop zorgverleners met hen omgaan: autonomie en beslissingsrecht zijn belangrijk voor telgen van die generatie. Ouderen willen meer en meer zelf de stuurman of -vrouw zijn van hun eigen zorg.  

Ontslagnemend Vlaams Minister van Welzijn, Zorg en Gezin Jo Vandeurzen (CD&V) wil daarom gedurende de komende jaren een budget vrijmaken voor persoonsvolgende financiering: naast (of in plaats van) de overheidsfinanciering die rechtstreeks bij de zorgvoorzieningen terechtkomt, gaat er een smakje geld naar de zorgvrager zelf. Die laatste kan daarmee kiezen uit een brede waaier aan zorgvoorzieningen. “Het waarborgt de financiële toegankelijkheid van de verleende zorg en ondersteuning en de eigen regie van de cliënt”, stelt Vandeurzen in zijn conceptnota voor de residentiële ouderenzorg, waarin een lans wordt gebroken voor persoonsvolgende financiering (PVF).  

“Persoonsvolgende financiering moet, au fond, een verhaal van keuze zijn.”

Marktdenken 

Clara Van den Broek (Directeur ouderenzorg Zorgnet-Icuro)

Die conceptnota dateert al uit 2017, en het plan komt heel traag op gang: pas in 2024 moet PVF volgens het huidige plan volledig in gang zijn, tijdens de jaren in de aanloop daarnaar moeten er eerst onderzoeken en pilootprojecten worden opgestart om de uiteindelijke overgang vlot te laten verlopen. Het is dus nog niet meteen voor vandaag, maar toch houden observatoren nu al hun hart vast. Er werden onder meer lessen getrokken uit eerdere projecten van deze aard in Frankrijk, Nederland, Oostenrijk en Groot-Brittannië. Clara Van den Broeck, directeur ouderenzorg bij Zorgnet-Icuro, waarschuwde anderhalf jaar geleden al voor onder meer de invloed van marktwerking in de zorgsector, die niet altijd goed gediend is met een al te marktgericht systeem. Marktwerking heeft als voordeel dat diensten met elkaar moeten concurreren om in de zorg te mogen voorzien, waardoor ze zich onvermijdelijk moeten afstemmen op de noden van de zorgvrager: wie beter inspeelt op de vraag, scoort beter. Maar, stelde Van den Broeck in een opinie-artikel“Verschillende marktimperfecties vragen een corrigerende hand van de overheid. Ouderen hebben een beperkt zicht op het zorgaanbod, de kost ervan, de kwaliteit en wat ze mogen vragen en verwachten tegen welke prijs. Zelfs voor professionals is het moeilijk om op een objectieve en neutrale wijze zicht te krijgen op de kwaliteit van een zorgaanbieder. Het bieden van zorg en ondersteuning aan kwetsbare personen is geen gewoon te verhandelen product. Het heeft een maatschappelijke, culturele en zelfs spirituele waarde die belangrijker is dan de economische. 

Het plan van Vandeurzen voorziet in ieder geval in een aantal van die overheidscorrecties. Zo moet persoonsvolgende financiering volgens zijn conceptnota gebaseerd zijn op gegevens in het BELRAI-systeem, een gestandaardiseerde database waarmee zorgverleners de graad van zorgbehoevendheid van een patiënt bepalen én delen met andere zorgverleners. Het zorgaanbod zal ook in een vast programma worden gegoten. Mantelzorg, belangrijk in de verzorging van ouderen, moet kunnen worden ondersteund vanuit het Zorgbudget, een instrument dat twee jaar geleden al in het leven werd geroepen en waarmee 300.000 patiënten – voorlopig alleen in de gehandicaptenzorg – al de teugels van hun eigen zorg in handen hebben. Daarnaast is er het zorgticket, waarmee onder meer zal kunnen worden voorzien in mobiliteitshulpmiddelen en de residentiële zorg, en dat – belangrijk – alleen kan worden uitgegeven bij erkende zorgvoorzieningen. Dat laatste neemt de schrik voor een al te grote invloed van marktwerking echter niet helemaal weg.  

Bovendien moet er, schreef Fien Adriaens (Adviseur sociaal beleid op de studiedienst van het ABVV) vorig jaar in een open brief, voor een degelijke ouderenzorg allereerst voldoende geld zijn, en is het cruciaal dat het personeel meer ademruimte krijgt. Dingen die niet noodzakelijk worden gegarandeerd met een persoonlijk zorgbudget voor patiënten. Meer nog: er zit al een relatief grote ‘persoonsvolgendheid‘ in de personeelsfinanciering van woonzorgcentra. Voor zwaar zorgbehoevende bewoners wordt er meer geld aan de kant gezet dan voor bewoners met een lichter zorgprofiel. Dat hielp dus niet aan de belangrijkste behoefte die vandaag geldt in de ouderenzorg: “De werkbaarheid in de sector moet echt omhoog”, stelt Adriaens. “Pas dan, en alleen dan, kan de minister werk maken van andere hervormingen.” 

Niet van een leien dakje 

Karina De Beule (Vlaams Agentschap voor mensen met een handicap)

Er wordt ook vaak gekeken naar de gehandicaptenzorg, waar persoonsvolgende financiering al een tweetal jaar een feit is, en waar die overgang helemaal niet van een leien dakje verliep. Verhalen staken op in de media over 14.000 patiënten die zaten te wachten op meer ondersteuning, terwijl – volgens 28 organisaties in de sector die vorig jaar aan de alarmbel trokken – heel wat bedden leegstaan door voornamelijk overlijdens. Maar volgens het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) is die sputterende start bijna voorbij. Uit cijfers die het VAPH bijhield voor 2018 blijkt onder meer dat ondertussen zo’n 26.200 mensen met een handicap, of een vermoeden daarvan, toegang hebben tot een zorgbudget, of tenminste in afwachting daarvan toegang tot de rechtstreeks toegankelijke, gespecialiseerde hulp. Een stijging met 2.000 personen ten opzichte van 2017, toen het systeem van persoonsvolgende financiering werd geïntroduceerd. Er waren eind 2018 nog 14.888 mensen met één of meer openstaande vragen, maar er beweegt iets: de groep personen met een handicap die helemaal géén ondersteuning krijgen, daalde bijvoorbeeld van 56 procent van de vraagstellers naar zo’n 22 procent. 

“We staan aan het begin van een enorme, geleidelijke verandering”, zegt Karina De Beule van het VAPH. “Een die zijn tijd nodig heeft, omdat er een gedragsverandering mee gepaard gaat. Kijk bijvoorbeeld naar de afvalverwerking, een sector waarin ik hiervoor werkte: er ging destijds een decennium overheen voordat mensen volledig de mentale omslag maakten om naar een recyclagepark te rijden. Dat is min of meer te vergelijken met deze omslag naar persoonsvolgende zorg. Het basisidee is dat mensen op een andere manier hun zorg gaan organiseren, dat ze ze meer in eigen handen nemen. Vroeger stapten mensen in een aanbod dat te nemen of te laten was, nu kiezen ze zelf. Door persoonsvolgende financiering staat de sector minder en minder centraal, en komt het zwaartepunt bij de mensen te staan. Twee jaar is niet lang voor zo’n fundamentele verandering: er moet ervaring worden opgedaan, er moeten dingen worden geëvalueerd en bijgestuurd. Maar vooral: men moet de patiënt de ruimte geven om die gedragswijziging door te maken.” 

Niet voor iedereen 

Die totale zelfbeschikking van de patiënt brengt natuurlijk wel een aanzienlijke verantwoordelijkheid met zich mee: hij moet zelf dingen in handen nemen, en zelf – zij het natuurlijk goed geïnformeerde – keuzes maken. Tot op bepaalde hoogte (want natuurlijk komt er ook daar hulp vanuit het zorgnetwerk dat zich rond hem heeft gevormd) is de persoon die de hulp krijgt ook verantwoordelijk voor de manier waarop hij het budget beheert en het geld uitgeeft. Zo luidt het ook in Vandeurzens conceptnota: De zelfredzame oudere persoon wordt geacht geïnformeerd te zijn, een gezonde leefstijl te volgen, zelf te kiezen voor een of meerdere zorgverleners en zelf actief mee te beslissen over de zorg- en ondersteuning die hem of haar geboden wordt.” 

Bij sommige profielen, zoals bewoners van een woonzorgcentrum die met dementie kampen, is dat minder evident dan bij andere. Daarom is er vanuit de zijde van zorgverleners natuurlijk ook de vraag om die persoonsvolgende financiering af te stemmen op iedere individuele oudere zijn competentie om om te gaan met keuzevrijheid, keuzedruk en zelfcontrole. “Vanuit onze sector leerden we in ieder geval dat persoonsvolgende financiering niet noodzakelijk iets voor iedereen is”, zegt De Beule. “Er zijn patiënten die uit zichzelf, ook al zouden ze het in principe kunnen, liever niét zelf beslissen over hun zorg, en tevreden zijn met de hulp die de instelling die hen helpt aanbiedt. Het is belangrijk om er geen verkrampt verhaal van moéten van te maken. Persoonsvolgende financiering moet, au fond, een verhaal van keuze zijn.” 


Hoe werkt dat elders? 

Persoonsvolgende financiering is al in heel wat Europese landen een feit. Hoe gebeurt dat in ieder van die landen, en wat kan de zorgsector bij ons daaruit leren? 

 Nederland 

De Nederlandse overheid introduceerde in 1995 al het Persoonsgebonden Budget (PGB) om de zorgverlening wat vraaggerichter te maken. Het systeem kwam er eerst voor chronisch zieken en fysiek gehandicapten, om een jaar later al te worden uitgebreid naar mensen met een verstandelijke beperking, en sinds enkele jaren kwam daar ouderenzorg bij. Een oudere die een PGB krijgt toegekend moet een budgetplan opstellen, waarin staat welke zorg er wordt ingekocht en bij wie. De patiënt kan zich daarbij laten ondersteunen door een regionaal zorgkantoor. Daarnaast moet er ook een zorgplan worden opgesteld met iedere zorgverlener, waarin duidelijke afspraken opgesteld staan. Zo’n plan is ook verplicht bij tewerkstelling van mantelzorgers. Het budget kan alleen worden besteed voor verpleging, huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, begeleiding en logeeropvang. De budgetten worden niet uitbetaald aan de zorgbehoevende zelf, maar via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of de zorgverzekeraars, die rechtstreeks uitbetalen aan de zorgverleners. Niettemin behoudt hij wel volledige zeggenschap over hoe het budget wordt beheerd. Het is ook mogelijk om een vertegenwoordiger aan te stellen die het budgetbeheer in naam van de oudere doet. 

Groot-Brittannië 

De Britten zetten al sinds de jaren 70 eerste stappen naar persoonsvolgende zorgfinanciering, maar het materialiseerde zich pas echt in 1996 met de Community Care (Direct Payments) Act. Dankzij die wet konden lokale autoriteiten budgetten uitbetalen aan hulpbehoevenden. Het systeem werd gaandeweg uitgebreid van personen met een beperking naar ouderen, die een budget in cash krijgen voor alle vormen van zorg, al gebruiken ouderen het in Groot-Brittannië vooral voor thuiszorg en persoonlijke verzorging. Mantelzorgers kunnen er niet mee worden vergoed. De lokale sociale dienst evalueert eerst de zorgvraag, waarna er een zorgplan wordt opgesteld, gebaseerd op het aantal uren zorg dat de aanvrager nodig heeft. Op basis daarvan berekent de lokale overheid de hoogte van het toegekende bedrag. Het zorgplan wordt iedere zes maanden herzien.  

Sinds 2005 is er ook het systeem van de Individual Budgets (IB), dat verder bouwt op dat van de Direct Payments maar iets breder spoort. Het IB bundelt verscheidene financieringsstromen, waaronder een aantal specifieke zorgsubsidies voor onder meer de verbouwing van de eigen woning voor zorgdoeleinden, in één budget. Dat vereenvoudigt de financiering, de bestedingsmogelijkheden zijn uitgebreider, en er wordt eerder naar de hoogte van de zorgnood gekeken in plaats van het aantal begrote uren dat zorgverleners met de zorgvrager bezig zullen zijn. Ook hier kan er een zorgmanager worden aangesteld.  

Frankrijk 

De Fransen plaatsten persoonsvolgende zorgfinanciering voor het eerst op de agenda in de jaren 1980, maar het kwam pas helemaal in gang met de Allocation Personnalisée d’Autonomie (APA) in 2002, een universeel toegankeijk budget voor alle zorgvragers vanaf 60 jaar oud.  Het APA kan worden toegekend voor thuiszorg of residentie in een erkende instelling. Aanvragen kunnen worden ingediend bij het gemeentehuis, het departement, of een lokaal informatiepunt voor ouderen. Na die aanvraag komt er een sociaal-medisch team, bestaand uit minstens een arts en een maatschappelijk werker, op bezoek om de leefsituatie en de zorgnoden te evalueren. Na dat bezoek wordt er een hulpplan opgesteld. Er zijn nationaal maximumbedragen vastgesteld voor vier verschillende niveaus van zorgbehoevendheid (twee andere niveaus, met een minimum aan zorgvraag, worden niet ondersteund voor persoonsvolgende hulp).  

Opvallend is dat het systeem voorziet in de opvang van crisismomenten, zoals bij hospitalisatie of een rustperiode van de mantelzorger: in zo’n gevallen kan het budget tijdelijk worden verhoogd om continuïteit van de zorg te garanderen.  

Uitgaven moeten worden verantwoord. De patiënt kan kiezen wat hij met het budget doet: ofwel neemt hij een erkende thuiszorgdienst onder de arm, ofwel stelt hij een assistent tewerk. Dat mag een familielid zijn, maar niet de levenspartner. In dat laatste geval wordt de oudere een werkgever, en moet hij een arbeidsovereenkomst afsluiten. Al kunnen assistenten ook worden aangeworven via een organisatie die de sociale verplichtingen in plaats van de zorgvrager nakomt. 

Duitsland 

Bij onze Oosterburen is de Pflegeversicherung een volwaardige zuil van de sociale zekerheid, naast de ziekteverzekering, werkloosheidsverzekering, pensioenverzekering en wettelijke ongevallenverzekering. Iedereen die in een langdurige zorgsituatie belandt (minstens zes maanden zorgbehoevend), onafhankelijk van leeftijd, inkomen en vermogen, krijgt zo recht op persoonsgebonden bijstand. Er komt een medische evaluatie waarin de hoogte van de zorgnood wordt vastgesteld, op vier vlakken: persoonlijke verzorging, voeding, mobiliteit en huishoudelijke taken.  

De zorgvrager kan kiezen voor zorg in natura, een financiële tegemoetkoming, of een combinatie van die twee. Wel zal het financiële basisbudget altijd lager zijn dan de reële kost van de verzorging in natura: het gaat om de basisverzorging. Zo wil de overheid via de Pflegeversicherung informele hulpverlening ondersteunen, zodat de nood aan professionele hulp kan worden uitgesteld. Mantelzorgers kunnen worden vergoed via het systeem, maar ze krijgen geen volledig inkomen: het is eerder een erkenning voor de tijd die ze aan de zorg besteden.  

De patiënt heeft volledige vrijheid in de besteding van het budget, maar de zorg moet voldoen aan vooropgestelde kwaliteitsvoorwaarden, en gericht zijn op het versterken of behouden van de zorgvrager zijn fysieke, mentale en emotionele vaardigheden. Er is sinds 2004 ook een Persönliches Budget, dat alleen in financiële hulp voorziet, maar dat is alleen beschikbaar voor personen met een beperking. Voorwaarden zijn min of meer dezelfde als die van de Pflegeversicherung. 


Hoe werkt PVF concreet in de gehandicaptenzorg? 

Het systeem van persoonsvolgende financiering in de gehandicaptenzorg voltrekt zich in twee trappen. De eerste is een vast zorgbudget voor personen met een handicap die beperkte zorg en ondersteuning nodig hebben: die krijgen een bedrag van 300 euro per maand die volledig vrij te spenderen is (zonder dat ze bewijzen van de uitgaven moeten voorleggen) om bijvoorbeeld poetshulp in te schakelen, een vrijwilliger te vergoeden die de patiënt vervoert met de auto, of desgewenst enkele dagen te verblijven in een dagcentrum. Het dient om absolute basiszorg te betalen. Wie iets meer intensieve en gespecialiseerde zorg nodig heeft, kan vanaf de leeftijd van 17 jaar bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) een aanvraag doen voor een persoonsvolgend budget (PVB). Daar staat geen vast bedrag op: het budget dat al dan niet zal worden uitgekeerd, wordt berekend op basis van wat de patiënt écht nodig heeft. Dat moet officieel worden aangevraagd, en de uitgaven moeten worden verantwoord. 


Andere pistes voor de residente ouderenzorg 

Woonzorgcentra hebben typisch twee soorten inkomsten: diegene die ze halen uit de dagprijs die ze de bewoner aanrekenen, en diegene die ze uit allerlei overheidsfinancieringen optrekken. Er is in essentie een RIZIV-forfait, aangevuld met werkingstoelagen van de Vlaamse Gemeenschap voor de animatie en een aantal subsidies die gekoppeld zijn aan bepaalde tewerkstellingsmaatregelen, toelagen voor het uitvoeren van sociale akkoorden, en premies voor verpleegkundigen die houder zijn van bepaalde titels of beroepsbekwaamheden. Daarmee moeten twee soorten kosten worden gefinancierd: de kosten die slaan op de zorg en het welzijn van de bewoners, en hun woon- en leefkosten 

Johan De Muynck (Algemeen Directeur Zorgbedrijf Antwerpen)

Maar volgens Johan De Muynck, Algemeen Directeur bij Zorgbedrijf Antwerpen, kan er van overheidswege meer gebeuren. “Je kunt voor een deel de modellen voor de thuiszorg gewoon overnemen”, zei hij onlangs tijdens een studiedag van mediabedrijf ZorgAnders, de uitgever van ZORG Magazine. “Bijvoorbeeld het idee om de bewoners te doen betalen voor wonen en leven, randanimatie, maar niet voor de zorg en de medische tussenkomsten, tenzij het remgeld. Een soortgelijk model bestààt al in de thuiszorg. Of financiering via nomenclatuur, zoals aparte vergoedingen voor de zorg van een kinesitherapeut.” 

Woonzorgcentra moeten op een aparte manier moeten bekeken, zegt De Muynck“Niet meer op een model dat is gebaseerd op dat van de ziekenhuizen. In de ouderenzorg is er geen ziekte-issue: het accent ligt volledig op zorg. Maar puur op verzorging gebaseerde hulp kan niet worden gedelegeerd: een verpleegkundige kan delegeren aan een verzorgende, en daar houdt het op. Er kan niet verder worden gedelegeerd. Zoals een rug wassen, of een pilletje toedienen. En wanneer er niet kan worden gedelegeerd is er geen financiering. Dat model moet weg in de woonzorgcentra. Er zit een logica in het feit dat je samen in hetzelfde gebouw zit om de beste zorg te krijgen. Maar voor de rest hoeft dat niet te verschillen van de thuiszorg. Het is raar: thuis bouw je als patiënt allerlei rechten op gebied van financiering van je verzorging, en plotseling beland je in een woonzorgcentrum en betaal je 50 procent van je zorg zelf. Thuiszorg voor ouderen is nog redelijk goed uitgebouwd. In een rusthuis is dat ineens veel minder. Terwijl, als je meer dan 18 uur een beroep doet op al die thuisdiensten, het meer kost aan de overheid dan wanneer je in een woonzorgcentrum zit. Een kind leeft van een uitkering: kindergeld, en de ouders krijgen extra nettoloon wegens kinderen ten laste. Een volwassene krijgt een loon, of anders een uitkering. Een oudere krijgt een uitkering. Maar een kind dat ziek wordt of een beperking heeft: dat wordt goed geregeld. Hetzelfde geldt voor een volwassene die ziek wordt of een beperking krijgt. Maar dan komt het: op een dag ben je 65, en ben je ineens zogenaamd niet meer gehandicapt, want de beperkingen zijn niet meer geregeld. Je bent ouD en ouT. Dat zegt veel over wat er speelt.” 

Belangrijk, zegt De Muynck, is de tevredenheid van de patiënt. “Zeker in woonzorgcentra. Je gaat er niet naartoe omdat je dat wilt, en omdat je weer beter zult zijn nadat je eruit komt. Nee: we gaan ernaartoe, en we worden niet beter. Je kiest niet om naar een woonzorgcentrum te gaan. Tevredenheid is cruciaal. Maar onze huidige financiering heeft compleet niks met tevredenheid te maken. Een woonzorgcentrum is iets waar je niet voor kiest, maar waarmee je op een bepaald moment vrede neemt. Daarop moet het hele idee van tevredenheid worden gebaseerd. En daarop vervolgens de financiering van woonzorgcentra.” 

Een belangrijke motor is ook hier weer de persoonlijke autonomie van de bewoner. “Mensen in de thuisdiensten zijn het meest tevreden, zelfs al is men zeer zorgbehoevend“, zegt De Muynck. “De zorgkundige zit aan het stuur, maar ikzelf navigeer wel. Mensen willen navigeren. Dat gevoel van het stuurwiel in handen te  hebben, dat is een belangrijke motor achter patiëntentevredenheid. “ 

Geef een reactie