Typ om te zoeken

ICT

Nieuwe richtlijnen voor labo’s: delen van gestructureerde data

Delen

Verslagen van labo’s waren tot nu toe weinig gestandaardiseerd en slechts ten dele via eHealth raadpleegbaar. Een stelling die zowel geldt voor extramurale labo’s als voor labo’s van ziekenhuizen. Dit bemoeilijkt een vlotte communicatie tussen de verschillende betrokken partijen zoals labo’s, ziekenhuizen en huisartsen. Bovendien was de integratie van deze laboverslagen in het EPD (Elektronisch Patiënten Dossier) en in het EMD (Elektronisch Medisch Dossier) van de extramurale artsen daardoor moeilijk. In het kader van het plan eGezondheid worden er nu een aantal belangrijke stappen gezet om hier vooruitgang in te brengen. We spraken erover met Tom Fiers, coördinator CoZo en Alain Derom, klinisch bioloog.
 
Tom Fiers is klinisch bioloog van opleiding en is tegelijkertijd ook erg begaan met het ICT-aspect van de zorgsector. Zo werkte hij mee aan KMEHR, een communicatieprotocol dat gebruikt wordt door het eHealth-platform voor het delen van medische gegevens. Twintig jaar geleden was hij de grondlegger van LOINC (Logical Observation Identifiers Names and Codes) en de laatste jaren was hij sterk betrokken bij de standaardisatie van labocodes in België.
 
Tom Fiers: “De labostandaardisatie is altijd heel traag vooruit gegaan. Sinds het onderwerp in het plan e-Gezondheid werd opgenomen, is het een stuk hoger op de politieke agenda gekomen.”
 

De doelstellingen

Een van de concrete doelstellingen in het huidige plan e-Gezondheid is om de extramurale labo’s aan te sluiten op het eHealth-platform zodat ook deze resultaten kunnen gedeeld worden met andere stakeholders dan de aanvragende arts. Tot nu toe waren alleen de intramurale labo’s via de ziekenhuizen aangesloten op het eHealth-platform.
 
Tot nu toe waren alleen de intramurale labo’s via de ziekenhuizen aangesloten op het eHealth-platform.
 
Tom Fiers: “Er bestaan eigenlijk twee manieren om informatie te delen. We spreken enerzijds over gericht delen dat al sinds jaar en dag gebeurde via bijvoorbeeld Medibridge en Mediring en recenter via de eHealth Box, via een point-to-pointverbinding. De tweede grote stroom is het niet-gericht delen via het HUB-metaHUB-systeem van het eHealth-platform. De laatste jaren zijn hier alle zorginstellingen op aangesloten met dus ook de intramurale labo’s. Nu is het de bedoeling om ook de laboresultaten van de extramurale sector via dit systeem te kunnen delen.”
 
Alain Derom: “Het is jammer dat de extramurale labo’s in het verleden nooit de toelating hebben gekregen om toe te treden tot het eHealth platform. Temeer omdat twee derde van de resultaten van de klinische biologie ambulant gebeurt, waarvan de helft in de extramurale laboratoria. Het is uiteraard een gemiste kans dat deze informatie niet gedeeld werd en dus niet ter beschikking was van de zorgverstrekkers. Nu krijgt de extramurale sector eindelijk de kans om zijn medische informatie te delen met alle zorgverstrekkers.”
 
Een tweede doelstelling in het actieplan is om te evolueren naar een gestructureerd en uniform gebruik van één gestandaardiseerd formaat en gestandaardiseerde codes binnen dit formaat.
 
Een tweede doelstelling in het actieplan is om te evolueren naar een gestructureerd en uniform gebruik van één gestandaardiseerd formaat en gestandaardiseerde codes binnen dit formaat. In praktijk zal er een mix van codeersystemen gebruikt worden. Voor de klassieke laboconcepten zal LOINC gebruikt worden, voor de klassieke eenheden wordt UCUM (Unified Code for Units of Measure) naar voren geschoven en voor de microbiologie krijgen we een mix van LOINC-codes en voor bijvoorbeeld kiem, namen en locaties SNOMED.
 
Tom Fiers: “Er werd al langer gebruik gemaakt van codes en formaten in België, maar deze waren weinig gestandaardiseerd. Met de huidige beperkte LOINC-codelijst gaan we nooit alles kunnen afdekken. Dat hoeft echter geen probleem te zijn omdat je dit kan aanvullen met andere bestaande codes binnen hetzelfde nieuwe gestandaardiseerde laboformaat. Uiteraard is het wel de bedoeling dat voor alle courante testen de nationale codeset van bij de start voldoende aanwezig is zodat de typische aanvragen van huisartsen zonder problemen kunnen behandeld worden.”
 

Het belang van het delen van informatie

De extramurale labo’s hebben tot twee keer toe een brief ontvangen van de overheid die hen wijst op de doelstellingen in het actieplan en hen aanspoort om zich aan te sluiten op het eHealth-platform. Tot dusver is er nog geen geldende verplichting, maar de labo’s zelf hebben er zelf ook baat bij om de aanbevelingen te volgen.
 
Tot dusver is er nog geen geldende verplichting, maar de labo’s zelf hebben er zelf ook baat bij om de aanbevelingen te volgen.
 
Tom Fiers: “Het is belangrijk dat ook extramurale labo’s hun resultaten delen via het eHealth-platform, ook al wordt deze info vandaag al rechtsreeks naar de aanvragen verstuurd. Als een patiënt wordt doorgestuurd naar een andere arts of hij komt op de wachtpost terecht, is het van belang dat deze zorgverstrekkers inzage hebben in alle medische gegevens van de patiënt. Ook laboverslagen kunnen een belangrijke bron van informatie bevatten. Al deze informatie moet dus opgenomen worden in het EPD van de patiënt en beschikbaar zijn voor alle zorgactoren betrokken bij de continuïteit van de zorg.”
 
Alain Derom: “Ook om dubbelwerk te vermijden is het delen van laboresultaten erg belangrijk. Neem het voorbeeld van een arts die voor een patiënt een aanvraag doet voor het opsporen van Hepatitis B. Als hij op dat moment onmiddellijk de boodschap krijgt dat deze test twee weken geleden al werd uitgevoerd, hoeft dezelfde test niet opnieuw te gebeuren. Op die manier kan het delen van de informatie op lange termijn een besparing in de gezondheidszorg opleveren.”
 
CoZo (Collaboratief Zorgplatform) is het digitaal platform waarop ook het UZ Gent is aangesloten voor het delen van medische informatie en maakt deel uit van het globale eHealth-netwerk. In oktober van dit jaar werden er meer dan 180.000 resultaten opgevraagd van labotesten, brieven, radiologische onderzoeken, etc.
 
Tom Fiers: “Het afgelopen jaar zagen we elke maand een verhoging van tien tot vijftien procent in het aantal opvragingen door artsen. Deze cijfers tonen aan dat de nood hoog is en dat het systeem goed functioneert.”
 

Het belang van een uniforme taal

Vragen naar het belang van gestandaardiseerde en uniforme formaten is een open deur intrappen. Als je tussen verschillende instellingen dezelfde taal spreekt, ben je zeker dat alle informatie juist geïnterpreteerd wordt.
 
Tom Fiers: “Zolang een huisarts met één vast labo werkt, is er op zich geen probleem. De problemen duiken op als de huisarts via zijn EMD ook informatie van andere labo’s wil bekijken en gebruiken. Als deze labo’s andere methoden en formaten gebruiken, wordt het voor de arts in kwestie erg moeilijk om alles te begrijpen en juist te interpreteren. Dat is waarom er moet overgeschakeld worden naar de gestructureerde en uniforme codes en formaten. Zo kan je waardes van verschillende labo’s correcter met elkaar vergelijken en de juiste conclusies trekken.”
 
Desalniettemin zullen er afwijkingen tussen verschillende labo’s blijven bestaan die te wijten zijn aan het gebruik van verschillende meettoestellen en referentiewaarden.
 
Tom Fiers: “Het klopt dat de referentiewaardes kunnen verschillen van labo tot labo. Neem bijvoorbeeld het opsporen van HCG, beter bekend als het zwangerschapshormoon. Als je nog maar net zwanger bent, kan het zijn dat het ene labo als resultaat geeft dat je zwanger bent, terwijl de resultaten van het andere labo dit nog niet aangeeft.”
 
Wat nog belangrijker is, zijn de verschillen die er bestaan in testmethodes waardoor je echt over iets anders praat. In het ene labo wordt bijvoorbeeld de activiteit van een enzym bekeken, terwijl het andere labo kijkt naar de massa van het enzym. Dit zijn twee fundamenteel verschillende zaken die moeilijk tot onmogelijk met elkaar te vergelijken zijn. Net daarom is het zo belangrijk om naar uniforme labocodes te gaan zodanig dat je zeker bent dat je over gelijkwaardige analyses spreekt en dat ook de EPD-pakketten die de gegevens inlezen de juiste informatie tonen.
 
Alain Derom: “De artsen gaan zich bewust moeten zijn dat er toch nog altijd problemen blijven bestaan. Het meten van glucosewaarden op bepaalde tijdstippen (dagcurve) is bijvoorbeeld iets waarvoor geen geijkte methode van rapportering bestaat. Het ene labo heeft een specifieke glucose testcode per vast tijdstip, terwijl het andere labo werkt met een methode waarbij het tijdstip gemeld wordt via een aparte informatieve testcode. De resultaten van deze tests kan je eigenlijk niet met elkaar vergelijken omdat ze anders gestructureerd zijn. Bovendien kan je bij de LOINC-codes voor bepaalde testen verschillende methodes kiezen die uiteindelijk ook een andere LOINC-code hebben en dus onmogelijk te vergelijken zijn. We spreken hier over een minderheid van de gevallen, maar het resultaat van een minder frequente test is voor mij even belangrijk als het resultaat van een test die heel vaak voorkomt.”
 
Tom Fiers: “Er is nog een bijkomende meerwaarde van het gebruik van gestandaardiseerde codes en formaten met betrekking tot beslissingsondersteuning en zorgsturing. Labogegevens worden soms ook opgenomen in medische attesten en gebruikt om zorg te kunnen aansturen, bijvoorbeeld om de juiste dosering van bloedverdunners te bepalen of risico’s aan te duiden. Om dit te kunnen doen, moet je weten waarover je spreekt en is het dus absoluut noodzakelijk dat die data gestructureerd is. Tot nu toe was dit slechts in beperkte mate mogelijk.”
 

Impact op de IT-infrastructuur van labo’s

Voor labo’s is het een stuk eenvoudiger om aan te sluiten op het eHealth-platform dan voor ziekenhuizen. Het gaat immers enkel om het opvragen van een lijst van beschikbare resultaten en het weergeven van het detailresultaat, wat technisch minder complex is. Een labosysteem is standaard zo opgebouwd. De labo’s doen eigenlijk al hetzelfde met hun communicatie met de eHealth Box.
 
Wat betreft het werken met een gestructureerd formaat zijn er wel de nodige aanpassingen nodig, zowel voor intramurale als extramurale laboratoria. Het nieuwe formaat moet geïmplementeerd worden in het labopakket en zo gedeeld worden. In het ene pakket is dat al moeilijker dan in het andere.
 
Tom Fiers: “Dat is trouwens de reden waarom de verschillende software aanbieders van in het begin gecontacteerd geweest zijn om te kunnen inschatten welke impact dit zou hebben op hun systeem en op welke termijn de implementatie realiseerbaar zou zijn. Ook zullen alle labo’s een mapping moeten doen om hun eigen interne codes te koppelen aan de nationale set van LOINC-codes.”
 
Alain Derom: “De extra ontwikkelingen die nodig zullen zijn, kosten ook heel wat geld. Het is jammer extramurale labo’s hiervoor geen vergoeding krijgen van de overheid. Tegelijkertijd zie ik dat gelijkaardige kosten bij ziekenhuizen en huisartsen wel gesubsidieerd worden.”
 
Ook de huisartsenpakketten moeten in staat zijn om het gestructureerde laboformaat en de codes te lezen en deze data te koppelen aan de informatie die reeds in het pakket aanwezig is. Dit zal een aanzienlijke aanpassing van de huisartsenpakketten vragen. Het einde is dus nog lang niet in zicht.
 

Wat met de verdere uitrol?

De bedoeling was dat de laboratoria in de loop van 2016 zouden aansluiten op het eHealth-netwerk via een van de eHealth-HUB’s, maar de realiteit wijst uit dat heel wat labo’s dit tot nog toe niet hebben gedaan. De oorspronkelijke streefdatum is dus niet langer haalbaar.
 
Alain Derom: “De meeste labo’s zijn nu wel stappen aan het zetten om toe te treden tot het eHealth-netwerk. Sommigen wachten tot hun softwareleverancier de nodige implementaties heeft uitgevoerd om de communicatie te kunnen doen.”
 
De deadline voor de uitrol van het gestructureerde formaat licht voor eind 2017, maar ook dat lijkt zeer rooskleurig.
 
Tom Fiers: “Er zijn nog heel veel randvoorwaarden die vervuld moeten worden alvorens we het gestructureerde formaat in de praktijk kunnen uitrollen. Ik zal blij als er in de eerste helft van 2017 een soort van proof of concept kan georganiseerd worden met minimaal één hub, enkele labo’s en een of twee huisartsenpakketten om te zien of de syntax, de boodschappen en de codes zoals ze nu zijn uitgewerkt ook in de praktijk voldoen.”
 
De vraag is ook welke artsen tijdig klaar zullen klaar voor het lezen van gestructureerde laboverslagen.
 
Tom Fiers: “We moeten er rekening mee houden dat niet alle huisartsenpakketten op hetzelfde moment aangepast zullen zijn. Het zal een grote uitdaging zijn om alle facetten tijdig klaar te maken voor de uitrol van de het gestructureerde laboformaat. Hierin is een belangrijke taak weggelegd voor de overheid die ervoor moet zorgen dat alle stakeholders gemobiliseerd worden en de juiste acties ondernemen.”
 
OVER LOINC
Het systeem ‘Logical Observation Identifiers Names and Codes’, of kortweg LOINC, is een codestelsel dat werd ontwikkeld en wordt beheerd door het ‘Regenstrief Institute’. LOINC is een antwoord op de behoefte naar een elektronische database voor klinische zorg en -management. Het doel is laboratoriumaanvragen, -uitslagen en klinische begrippen te standaardiseren. Elk LOINC-concept beschrijft een test of een testresultaat en verbindt daaraan een code. Door middel van deze unieke code kan bij de uitwisseling van data een gemeenschappelijke taal gebruikt worden.
 
LOINC in België
Verscheidene Europese landen hebben ervoor geopteerd om LOINC in de praktijk toe te passen met behulp van een gebruiksvriendelijke nationale subset, aangepast aan de lokale noden en regels. In België heeft dit geleid tot de ontwikkeling van het instrument ‘Reference Table Management’ (ReTaM).
 
ReTaM, ontwikkeld voor het beheer van labocoderingen, is een web gebaseerde visuele (en consulteerbare) weergave van de laboratoriumcodes. Dit instrument werd ontwikkeld door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
 

Tags:

Geef een reactie